Chemie is een vak met een eigen taal, logica en denkstructuur. Leren denken als een chemicus vergt meer dan het memoriseren van definities of het oplossen van standaardoefeningen. Het gaat om begrijpen hoe materie zich gedraagt, modelleren wat je niet kunt zien en symbolen correct interpreteren.
Dat maakt chemie uniek én uitdagend – ook op vlak van evaluatie.
Denken in chemie: meerlagig en modelgebaseerd
In de vakdidactiek chemie groeit de aandacht voor het ontwikkelen van chemisch denkvermogen. Daarbij wordt chemie niet gezien als een verzameling weetjes, maar als een denksysteem dat steunt op modellen en abstracties. Centraal hierin staat het schakelen tussen drie niveaus:
Veel leerlingen blijven hangen op het macroniveau of verwarren de symboliek met de realiteit. Goede toetsvragen stimuleren de overgang tussen deze niveaus en maken zo conceptueel begrip zichtbaar.
Biotechnologische en chemische wetenschappen B+S - 3de graad - D-finaliteit
Biotechnologische wetenschappen B+S
Biotechnologische en chemische STEM-wetenschappen B+S - 3de graad - D-finaliteit
Biotechnologische STEM-wetenschappen B+S
Natuurwetenschappen B+S - 2de graad - D/A-finaliteit
Natuurwetenschappen - 3de graad - D/A-finaliteit
Natuurwetenschappen - 2de graad - D/A-finaliteit
Natuurwetenschappen B' - 2de graad - D/A-finaliteit
Natuurwetenschappen B+S’ - 3de graad - D/A-finaliteit
Natuurwetenschappen 1ste graad - A-stroom
Chemie - Natuurwetenschappen - 2de graad - D-finaliteit
Chemie - Natuurwetenschappen B+S - 2de graad - D-finaliteit
Fysica - Biotechnieken B+S - 2de graad - D/A-finaliteit
Biologie - Biotechnieken B+S - 2de graad - D/A-finaliteit
Chemie - Natuurwetenschappen B+ - 2de graad - D-finaliteit
Chemie - Biotechnieken B+S - 2de graad - D/A-finaliteit
Chemie - Natuurwetenschappen - 3de graad - D-finaliteit
Chemie - Natuurwetenschappen B+S - 3de graad - D-finaliteit
Natuurwetenschappen B+S - 3de graad - D/A-finaliteit
Chemie - Natuurwetenschappen B+S’’ - 3de graad - D-finaliteit
Chemie - Natuurwetenschappen B+S’ - 3de graad - D-finaliteit
Chemie - Biotechnologische en chemische technieken B+S - 3de graad - D/A-finaliteit
Biologie - Biotechnologische en chemische technieken B+S - 3de graad - D/A-finaliteit
Fysica - Biotechnologische en chemische technieken B+S - 3de graad - D/A-finaliteit
Chemie - Natuurwetenschappen B+S’’’ - 3de graad - D-finaliteit
Natuurwetenschappen B+S' - 2de graad - D/A-finaliteit
Natuurwetenschappen 1ste graad - B-stroom
Natuurwetenschappen - 7de leerjaar
Chemische procestechnieken - 7de leerjaar
Farmaceutisch technisch assistent -
Natuurwetenschappen S - 7de leerjaar
Chemische begrippen zijn vaak abstract en worden opgebouwd via modelgebaseerd redeneren: leerlingen leren nadenken met behulp van theoretische modellen (zoals het deeltjesmodel of het zuur-basemodel) en gebruiken die om situaties te verklaren of voorspellingen te doen. Evaluatievragen moeten die redeneerstappen zichtbaar maken.
Leerlingen ontwikkelen tijdens het leerproces vaak eigen logica die afwijkt van de wetenschappelijke. Denk aan het idee dat een stof "weg is" als ze verdampt, of dat ionen verdwijnen bij neutralisatie. Met gerichte vraagvormen kunnen we die misvattingen opsporen en bespreekbaar maken. Zo wordt evaluatie een hulpmiddel om conceptuele verandering in gang te zetten.
📌 Voorbeeldvraag: Aard van een chemische reactie analyseren
Situatie (macroscopisch niveau):
Je voert een proef uit waarbij een heldere oplossing van natriumthiosulfaat gemengd wordt met verdund zwavelzuur. Na enkele seconden wordt de oplossing troebel.
Opdracht (meervoudig, geïntegreerd):
Beschrijf wat je waarneemt tijdens deze proef. (macroscopisch niveau)
💡 Wat maakt deze vraag didactisch rijk?
👩🏫 Mogelijke differentiatie:
Niet elke toetsvraag is even geschikt om een leerdoel zichtbaar te maken. De manier waarop een vraag is opgebouwd, beïnvloedt in sterke mate wat je toetst: focust de vraag op één concreet idee of is ze bedoeld om een geheel van kennis en vaardigheden in samenhang te activeren? Binnen het chemieonderwijs onderscheiden we daarom verschillende structuren van toetsvragen: van kort en gefocust tot uitgebreid en geïntegreerd.
3.1. Eenheidsvraag: één onderwerp, één opdracht
Dit is de meest eenvoudige vorm. De leerling krijgt één duidelijke, zelfstandige opdracht over één specifiek onderwerp. Deze structuur is bijzonder geschikt om snel en gericht een afgebakend begrip te toetsen.
📌 Voorbeeld:
🧠 Doel:
3.2. Opdrachteenheid: meerdere onderwerpen, één opdrachtvorm
Hier worden verschillende kleine opdrachten samengebracht onder één gezamenlijke instructie. Het doel is om leerlingen systematisch over meerdere leerinhouden te laten nadenken, vaak binnen hetzelfde denkkader of met vergelijkbare instructietaal.
📌 Voorbeeld:
– valentie-elektronen
– edelgasconfiguratie
– amfotere elementen
– oxidatiegetal
– redoxreactie
– oxidator
– sterke en zwakke zuren
– exotherme en endotherme reacties
– homogene en heterogene mengsels
Deze vraagstructuur laat toe om gelijkaardige begrippen in eenzelfde vraag te behandelen en tegelijkertijd inzicht te krijgen in de mate waarin de leerling termen correct kan verwoorden, nagaan of de leerling de samenhang ziet tussen begrippen uit redoxchemie of de kernbegrippen kan onderscheiden van elkaar.
3.3. Inhoudeenheid: verdiepend binnen één onderwerp
In deze structuur wordt één chemisch thema vanuit verschillende invalshoeken bevraagd. De deelvragen bouwen voort op elkaar of breiden uit. Dit type leent zich uitstekend voor toetsvragen die meerdere representatieniveaus willen aanspreken: van macroniveau (wat zie je?) tot symbolisch niveau (hoe noteer je dit?).
📌 Voorbeeld:
Noteer in de kern de lading.
Verdeel de elektronen op de juiste wijze.
Benoem de schillen. Verklaar waarom dit element een metaalkarakter heeft.
Geef de vorm van de molecule volgens VSEPR.
Verklaar waarom CO₂ een apolaire molecule is ondanks polaire bindingen. Kan je verklaren waarom CO2 een slechte geleider is?
Bereken de pH van een oplossing na neutralisatie van 50 mL 0,1 M azijnzuur met 25 mL 0,1 M NaOH.
Verklaar waarom de oplossing nog steeds zuur reageert.
Hier test je niet alleen of leerlingen het model visueel kunnen voorstellen, maar ook of ze de onderliggende structuur en terminologie juist kunnen gebruiken.
Waarom deze structuurkennis belangrijk is
Door bewust af te wisselen tussen deze structuren verhoog je de didactische rijkdom van je toets. Je stemt beter af op de complexiteit van de leerdoelen en biedt leerlingen ruimte om hun kennis op verschillende manieren te tonen. Tegelijkertijd help je jezelf als leraar om meer genuanceerd feedback te geven: gaat het fout bij de kernbegrippen? Of blijkt uit de toepassing dat het inzicht ontbreekt?
Een doordachte structuur is dus geen technisch detail, maar een hefboom voor beter en eerlijker evalueren.
Wanneer we leerlingen evalueren, vragen we hen niet alleen wat ze weten, maar ook hoe ze dat laten zien. Dat ‘hoe’ verwijst naar de antwoordtaal: de manier waarop leerlingen hun antwoord moeten formuleren. De gekozen antwoordvorm beïnvloedt het soort denkvaardigheid dat we activeren én hoe transparant de evaluatie is. Sommige vormen lenen zich tot snelle, objectieve evaluatie, andere geven zicht op dieper begrip en redenering.
We onderscheiden drie grote groepen:
4.1. Formuleren
Hierbij schrijft de leerling zelf het antwoord. Dit type laat toe om taalvaardigheid en begripsniveau te observeren, maar vereist ook duidelijke instructie: hoe lang, hoe gedetailleerd, in welke vorm?
Opdrachttype Inhoud of detaillering Zeer kort benoemen, formule schrijven Kort omschrijving begrip, reactievergelijking Lang
uitvoerige uitleg, uitvoerige berekening, reactiemechanisme uitschrijvenSpeciaal schema of grafiek tekenen, ruimtelijke structuur tekenen
📌 Voorbeeld (kort):
📌 Voorbeeld (lang):
4.2. Kiezen (gesloten vraagtypes)
Deze vragen bieden voorgegeven antwoordmogelijkheden, wat de verbetering eenvoudiger maakt. Ze zijn efficiënt, maar moeten zorgvuldig opgesteld worden om misleiding of gokgedrag te vermijden. De formulering moet helder zijn en het doelgericht leerdoel toetsen.
Type Aantal keuzemogelijkheden Aantal onderwerpen Aantal correcte antwoorden Ja/nee 2 1 1 Alternatief 2 2 1 Meerkeuze >3 1 1 Bepaald kiezen >3 >1 >1 Onbepaald kiezen >3 >1 onbekend aantal
a. Ja/nee keuzevraag
📌 Voorbeeld:
Beoordeel de volgende uitspraken met juist of fout.
🧠 Let op: dit type vraag kan tot gokgedrag leiden. Gebruik dit alleen als er ook een toelichting of verantwoording wordt gevraagd.
(*) Je kan er ook voor kiezen om bepaalde woorden te onderlijnen, en aangeven dat dit de woorden zijn die mogen aangepast worden. Dit kan ook duidelijker maken wat je beoogt te toetsen. Hier kan je HCl onderlijnen en wil je dat de leerlingen een zout kunnen herkennen en een voorbeeld van een zout kunnen geven. Als je in dezelfde vraag zout onderlijnt, verwacht je van de leerlingen dat ze herkennen tot welke verbindingsklasse HCl behoort. Kijk even na wat het leerplandoel juist vraagt.
b. Alternatief kiezen
📌 Voorbeeld:
Belangrijk is dat je steeds vraagt aan de leerlingen om hun antwoord te verklaren.
c. Meerkeuzevraag
📌 Voorbeeld:
Duid het juiste antwoord aan.
A. Zuurstoftransport moeilijker omdat het evenwicht naar rechts verschoven is.
B. Zuurstoftransport gemakkelijker omdat het evenwicht naar rechts verschoven is.
C. zuurtransport moeilijker omdat het evenwicht naar links verschoven is.
D. Zuurstoftransport makkelijker omdat het evenwicht naar links verschoven is.
A. sp
B. sp²
C. sp³
D. sp³d
A. de activeringsenergie
B. de concentratie van de reagentia
C. de molmassa van de reagentia
D. de kleur van de oplossing
d. Bepaald kiezen
📌 Voorbeeld:
a. roestbaar
b. rond
c. poreus
d. brandbaar
e. langa. HCl e.HNO₃ b. CH₃COOH f. H₂CO₃ c. H₂SO₄. g. HF d. NH₃ h. HCN
e. Onbepaald kiezen
📌 Voorbeeld:
Voor de reactie CaCO₃ + 2 HCl → CaCl₂ + H₂O + CO₂ neemt de reactiesnelheid toe als:
A. het reactiemengsel geroerd wordt
B. het reactiemengsel gekoeld wordt
C. het vaste CaCO₃ gemalen wordt
D. de concentratie van HCl verhoogd wordt
A. Ze kunnen enkel voorkomen tussen H en F, O of N.
B. Ze bepalen de hoge kooktemperatuur van water.
C. Ze bestaan ook in vaste stoffen zoals NaCl.
D. Ze zorgen voor de oplosbaarheid van alcoholen in water.
A. temperatuur
B. druk
C. polariteit van het oplosmiddel
D. molaire massa van het gas
🧠 Dit type is bijzonder krachtig om multifactorieel denken te stimuleren.
4.3. Ordenen
Deze vragen activeren de vaardigheid om gegevens structuur te geven. Dit type is nuttig om inzicht te evalueren, vooral wanneer leerlingen relaties moeten leggen tussen eigenschappen, begrippen of structuren. Ook hier kan je vragen om hun antwoorden te motiveren.
a. Rangschikken
Rangschik volgende elementen volgens stijgende EN-waarde: Li, F, C, B
Rangschik de volgende zuren volgens toenemende zuursterkte: H₂CO₃, HCl, HCN, CH₃COOH.
Rangschik de volgende deeltjes volgens stijgende atoomstraal: Na⁺, Cl⁻, Ne, Mg²⁺.
b. Groeperen
Onderstaande genummerde gegevens zijn geldig en/of voor alkanen, alkenen, alkynen. Plaats hun nummer achter de groepsnaam of groepsnamen waarvoor ze geldig zijn.
1. CnH2n 4. lineaire opbouw 7. onverzadigd 2. sp3-hybridisatie 5. 1 n-binding 8. geen additiereacties 3. drievoudige binding 6. polymerisatie 9. vooral substitutiereacties
A. Alkanen: ...
B. Alkynen: ...
C. Alkenen: ...
Doel: Eigenschappen correct toewijzen aan groepen in het PSE.
Doel: Toetsen of leerlingen de drie bindingstypen kunnen onderscheiden.
c. Sorteren (matchen)
Breng elk gegeven uit de linkerkolom in verband met één gegeven uit de rechterkolom.
1. helder kraantjeswater ..... zuivere stof 2. suiker ..... emulsie 3. grafiet = koolstof ..... metaal 4. mayonaise ..... oplossing 5. kwik ..... goede geleider van elektriciteit
🧠 Je kan er ook voor kiezen om de rechterkolom langer te maken door meerdere opties te geven, waardoor het gokken meer wordt uitgesloten. Dit maakt de oefening ook complexer voor de leerlingen.
Breng de gegeven stoffen in verband met meerdere mogelijke kenmerken. Elk kenmerk kan meer dan één keer gebruikt
Mogelijke kenmerken : geleid elektriciteit, metaal, oplossing, emulsie...
Breng de volgende stoffen in verband met mogelijke toepassingen. Elk kenmerk kan meermaals of niet gebruikt worden.
Mogelijke kenmerken: ontsmettingsmiddel, oplosmiddel, conserveermiddel en elektrolyt
🧠 Imperfect sorteren is bijzonder geschikt om complexe relaties tussen concepten zichtbaar te maken.
Een goede chemievraag gaat verder dan het controleren van losse weetjes. Ze maakt zichtbaar hoe een leerling denkt, hoe die chemische modellen toepast en of er sprake is van diepgaand begrip of eerder oppervlakkige herkenning. Daarom is het belangrijk om bij elke toetsvraag stil te staan bij de onderliggende denkactiviteit die ze uitlokt.
In deze benadering laten we het klassieke model van Bloom achter ons. In plaats daarvan richten we ons op wat belangrijk is binnen de chemiedidactiek: de opbouw van chemisch denken via representaties, redeneren met modellen, en het detecteren van misconcepties. Hieronder vind je een overzicht van mogelijke denkactiviteiten, gekoppeld aan bijhorende vraagvormen en voorbeelden.
Overzichtstabel: vraagtypes en cognitieve vaardigheden binnen het vak chemie
Type denkopdracht Aard van de taak Verwachte leeractiviteit Onthouden
Herkennen, opsommen, beschrijven, situeren benoemen, aanduiden
Reproductie van bekende begrippen of gegevens
Definities geven, structuren herkennen, termen benoemenBegrijpen
Toelichten, classificeren, samenvatten, vergelijken, selecteren, voorbeeld geven.
Begrijpen van waarnemingen of verbanden leggen
Uitleggen, illustreren met voorbeelden, fout verklarenToepassen
Uitvoeren, gebruiken, aantonen, omzetten, demonstreren
Regels gebruiken in een gekende of nieuwe context
Berekenen, formules invullen, wetten toepassenAnalyseren
Onderscheiden, structureren, motiveren, onderzoeken, ordenen, construeren
Complexe denkstappen of meerdere kennisstukken combineren
Gegevens selecteren, verklaren met modellen, verbanden leggenCreëren
Visualiseren, plannen, ontwerpen, samenstellen, verwerken, combineren
Nieuwe context of onbekend probleem oplossen
Zelfstandig plannen, ontwerpen, kiezen tussen strategieënEvalueren
Experimenteren, beargumenteren, toelichten, checken, vaststellen, weerleggen
Uitleg per vaardigheidstype
5.1.Onthouden en benoemen
Bij deze vragen testen we of leerlingen chemische basiselementen kunnen identificeren: namen, symbolen, structuurtypes, toestanden, enzovoort. Deze vragen situeren zich vooral op het symbolisch niveau.
📌 Voorbeeld:
🧠 Doel:
5.2. Begrijpen en vergelijken
Hier wordt een stap verder gegaan: leerlingen moeten betekenis geven aan waarnemingen, of modellen gebruiken om iets te verklaren. De koppeling tussen macro- en deeltjesniveau staat vaak centraal.
📌 Voorbeeld:
🧠 Doel:
5.3. Toepassen en gebruiken
De leerling moet hier chemische kennis functioneel inzetten: berekeningen maken, reactiewetten toepassen, een bekende methode gebruiken in een nieuw vraagstuk. Vaak gebeurt dit op symbolisch niveau maar dit vereist ook inzicht.
📌 Voorbeeld:
🧠 Doel:
5.4. Analyseren en combineren
Bij deze vragen moet de leerling verschillende informatiebronnen integreren: grafieken, tekst, tabellen, reactiemechanismen. De focus ligt op modelgebaseerd redeneren en het correct linken van gegevens op verschillende niveaus van representatie.
📌 Voorbeeld:
🧠 Doel:
5.5. Creëren of ontwerpen
Deze vragen zijn open, niet-routinematig en vragen om creativiteit of transfer. De leerling moet zelfstandig een aanpak kiezen, iets ontwerpen of zijn kennis toepassen op een onbekend probleem. Hier zie je vaak een combinatie van alle drie de niveaus (macro, deeltjes, symbolisch).
📌 Voorbeeld:
🧠 Doel:
5.6. Evalueren
De leerling moet een oordeel vellen over een werkwijze, model of conclusie op basis van criteria of wetenschappelijke standaarden. Dit vraagt kritisch denken en het kunnen beargumenteren waarom iets juist of fout is.
📌 Voorbeeld:
🧠 Doel:
Welke verklaring is correcter en waarom? Onderbouw je antwoord met chemische concepten.